Dan komt er een tijd dat de kleuterperiode stopt en de lagere school zich aandient. De kleuterschool en de lagere school waren in mijn tijd (jaren 60) gescheiden van elkaar, dus de overstap naar de lagere school was ook fysiek best groot.
Zo moest ik een hele andere looproute maken om bij de lagere school te komen. Ik zie die route nog voor me. Ik moest een brede baan oversteken en door het winkelcentrum naar een andere wijk gaan. Via tussen-door-paadjes kwam ik bij de lagere school, de Groen van Prinsterer.
Ik kwam op een veel groter schoolplein terecht waarop het even zoeken was waar mijn plek was tijdens het spelen en het in de rij staan bij het naar binnen gaan. In de rij staan was heel gewoon.
Het gebouw was veel groter. De lagere school had zelfs twee verdiepingen en in het midden, kan ik mij herinneren, was een hele grote aula, die zondags voor kerkdiensten werd gebruikt. Ook was er een verhoogd gedeelte dat voor toneel werd gebruikt.
Er liepen veel meer kinderen rond, waarvan ik en mijn klasgenoten weer de jongsten(kleinsten) waren.
Veel meer meesters en juffen en lokalen waren in het gebouw aanwezig. Gelukkig ook meesters, want daar keek ik als knul echt naar uit.
Doorkijkje: Tegenwoordig zijn er veel te weinig meesters in het BaO werkzaam, helaas. In de laatste 15 jaren was de verhouding meesters en juffen op de PABO-opleiding 2 (meesters) staat tot 25 (juffen). Kortom het BaO vervrouwelijkt, wat voor jongens niet altijd leuk is. Meesters zijn voor jongens nu eenmaal toch een ander 'rolmodel'. Maar goed het is niet anders, ook al zou ik het graag willen. Bij deze een oproep, meesters kom op!
En.....ja wel hoor, het echte leren startte pas echt op de grote school [ aap - noot - mies...]. De lagere school had ook de bijnaam 'grote school', want ik was geen kleuter meer, maar groot.
Van die lagere schoolleeftijd kan ik mij bepaalde leerkrachten nog wel herinneren. Dat zijn niet de herinneringen en beelden van een leerkracht die voor de klas stond, maar eerder gebeurtenissen die in de groep beleefd werden, waarbij de leerkracht door handelen(of niet) indruk op mij maakte. Hier blijkt ook maar weer dat een goede pedagogische grondhouding essentieel is, waarbij een leerkracht in staat moet zijn een goede relatie op te bouwen met de leerling, mij dus (zie de vorige column over enkele psychologische basisbehoeften).
Een voorbeeld uit klas 6: (nu groep 8):
De spreekbeurt
In klas 6 hielden alle kinderen een spreekbeurt. Ik ook. In die tijd ging ik regelmatig op vakantie naar Zeeland met m'n ouders en hield ik van vissen in de zee. Dat gebeurde met een werphengel, waarbij ik het tuig met een loodje vanaf het strand zover mogelijk de zee in wierp. Toen kon ik nog aardig wat makreel vanaf het strand vangen, maar ook platvis en paling kwamen in het leefnet terecht. Ik heb mijn spreekbeurt over zeevissen gehouden. De enthousiaste wijze waarop de meester reageerde en met de klas het cijfer bepaalde, zit nog steeds in mijn geheugen gegrift. Uiteraard had ik op het bord een tekening gemaakt over zeevissen, tekenen was (en is) ook een hobby. Ik had enkele werphengels, koffer met inhoud en vistuig meegenomen om te laten zien.
Ik vertelde enkele verhalen over mijn vishobby: van pierensteken tot werpen en vangen. Op geep vissen was ook een apart verhaal en ging over vissen op zee met een dobber.
Heerlijk die verhalen!
|
Een ander voorbeeld uit klas 5: (nu groep 7)
Spieken
In klas 5 kon ik kiezen tussen Engels of Frans als extra vak ter voorbereiding op het voortgezet onderwijs.
Ik koos Frans, want ik dacht dat Engels niet zo moeilijk zou zijn. Frans werd toen door de bovenmeester en zijn vrouw gegeven. Direct na de eerste lessen Frans, die bovendien buitenschooltijd plaatsvonden, besloten we met elkaar een spiekclub op te richten. De lessen waren saai en droog en niemand had er echt zin in. We hadden ook al wat verhalen van leerlingen in klas 6 gehoord: stampen, stampen en nog eens stampen. Het motto was: "hoe overleef ik Frans?'
De spiekclub maakte de lessen spannend, zeker als je een repetitie kreeg. De spiekclub zorgde voor voldoende motivatie om Frans te blijven volgen, ook in klas 6.
Hoe ging dat in z'n werk?
Op strategische plekken in de klas werden van tevoren spiekbriefjes geplaatst: tussen de verwarmingsplaten, onder het tafelframe, in de planten en uiteraard onder het horlogebandje. Natuurlijk werden we ook wel eens betrapt, maar dat was het risico dat we graag namen om vervolgens een nieuwe strategie te bedenken. Zo was een strategie dat één de leerkracht afleidde, zodat de ander even kon spieken. Zo hielp je elkaar.
Veel liefde voor het vak Frans heb ik er niet aan over gehouden; ik wist me te redden en daar was denk ik wel alles mee gezegd.
Dat spieken bij het leren hoort, is een feit. Spieken is gekoppeld aan cijfers en presteren. Tegenwoordig wordt het nog gemakkelijker gemaakt, want zelfs de HEMA haakt in op het spieken en geeft allerlei tips. Het vraagt ook om reacties van kinderen en geeft allerlei spiektips. Kortom, met een gerust hart kun je als leerling de school weer na de zomervakantie binnenlopen. Hier kun je over die spiektips lezen.
Toen ik de site opzocht waren er intussen al 31792 spiektips gemeld. Als leerkracht zou ik even een bezoekje brengen voordat je een repetitie of overhoring geeft. Wellicht biedt het inzicht in 'vreemd' gedrag van een leerling tijdens een repetitie.
HEMA heeft zelfs een echte spiekpen ontwikkeld, die 'onzichtbaar' schrijft. Met een lampje kun je vervolgens de tekst lezen. (Bron: website HEMA, augustus 2010)
Waar het toen, maar m.i. nu nog steeds omgaat is het leren in het BaO. Onder het motto dat het kind centraal staat, we gaan naar passend onderwijs, moeten nog steeds methodische boekjes vaak per leerjaar uit zijn. Daar ligt het accent op, waarbij vooral ook de toetsen in omvang en aantallen toenemen. Een belangrijk instituut dat zich daarmee bezighoudt is het CITO: DL met EDCBA of DLE scores......
Bekijk hier nog even een klassenfoto van mijn lagere schooltijd, bij mijn favoriete meester.

In de volgende column maak ik een uitstapje naar de leermethoden, toen en nu en vergelijk ik enkele rapportboekjes, met als thema 'cijfers geven'.
Ook zitten onderwerpen als dyscalculie en dyslexie nog in de pen. |